Orde van dienst 29 november 2020
Gemeentenieuws
Gepubliseerd door op 31/10/2020 00:00 om 12:00 AM

Orde van de eredienst 29 november, 9:30 uur

Voorganger: ds. J. de Wit

Organist: Jan Verweij

 

Votum en groet

 

Psalm 106: 1, 4 (kerkenraad zingt)

Looft God, den trouwen Opperheer.
Geeft, geeft Hem vrolijk roem en eer,
Wiens goedheid perken kent, noch palen.
Maar wie, hoe hoog verlicht hij zij,
wie kan Zijn mogendheên verhalen,
Zijn lof verbreiden naar waardij?

 

Wij hebben God op 't hoogst misdaan.
Wij zijn van 't heilspoor afgegaan.
Ja, wij en onze vaad'ren tevens,
verzuimend' alle trouw en plicht,
vergramden God, den God des levens,
Die zoveel wond'ren had verricht.

 

Wetslezing

 

Psalm 79: 4 (kerkenraad zingt)

Gedenk niet meer aan 't kwaad, dat wij bedreven;
Onz' euveldaad word' ons uit gunst vergeven;
Waak op, o God, en wil van verder lijden
Ons klein getal door Uwe kracht bevrijden.
Help ons, barmhartig HEER,
Uw groten naam ter eer;
Uw trouw koom' ons te stade;
Verzoen de zware schuld,
Die ons met schrik vervult;
Bewijs ons eens genade! .

 

Gebed

 

Schriftlezing: Daniël 9: 1 – 21

1 In het eerste jaar van Darius, de zoon van Ahasveros, uit het geslacht van de Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk van de Chaldeeën, 2 in het eerste jaar van zijn regering, merkte ik, Daniël, in de boeken het aantal jaren op waarover het woord van de HEERE tot de profeet Jeremia gekomen was: zeventig jaar zouden na de verwoesting van Jeruzalem voorbij moeten gaan.

3 Ik richtte mijn gezicht tot de Heere God, om Hem te zoeken in gebed en met smeekbeden, met vasten, en in zak en as.

4 Ik bad tot de HEERE, mijn God, en deed belijdenis en zei: Och Heere, grote en ontzagwekkende God, Die Zich houdt aan het verbond en de goedertierenheid ten aanzien van hen die Hem liefhebben en Zijn geboden in acht nemen, 5 wij hebben gezondigd, wij hebben onrecht gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld, wij zijn in opstand gekomen door af te wijken van Uw geboden en bepalingen.

6 Wij hebben niet geluisterd naar Uw dienaren, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaderen, en tot heel de bevolking van het land.

7 Bij U, Heere, is de gerechtigheid, maar bij ons de schaamte op het gezicht – zo is het heden ten dage bij de mannen van Juda, bij de inwoners van Jeruzalem en bij heel Israël, bij hen die dichtbij zijn en die ver weg zijn, in alle landen waarheen U hen verdreven hebt om hun trouwbreuk, die zij tegenover U gepleegd hebben.

8 Heere, bij ons staat de schaamte op het gezicht, bij onze koningen, bij onze vorsten, bij onze vaderen, omdat wij tegen U gezondigd hebben.

9 De Heere, onze God, is vol barmhartigheid en menigvuldige vergeving, hoewel wij tegen Hem in opstand zijn gekomen.

10 Wij hebben niet geluisterd naar de stem van de HEERE, onze God, om volgens Zijn wetten te wandelen, die Hij ons gegeven heeft door de hand van Zijn dienaren, de profeten.

11 Maar heel Israël heeft Uw wet overtreden en is afgeweken door niet te luisteren naar Uw stem. Daarom is over ons de vervloeking en de eed uitgegoten die beschreven is in de wet van Mozes, de dienaar van God, want wij hebben tegen Hem gezondigd.

12 Hij heeft Zijn woorden gestand gedaan die Hij gesproken heeft tegen ons en tegen onze richters die ons leiding gaven, door over ons een groot onheil te brengen, dat zich onder heel de hemel nergens heeft voorgedaan zoals zich dat in Jeruzalem voorgedaan heeft.

13 Zoals het beschreven is in de wet van Mozes, is al dat onheil over ons gekomen. Wij hebben het aangezicht van de HEERE, onze God, niet getracht gunstig te stemmen door ons af te keren van onze ongerechtigheden en verstandig met Uw waarheid om te gaan.

14 Daarom heeft de HEERE over het onheil gewaakt en heeft Hij het over ons gebracht. Want de HEERE, onze God, is rechtvaardig in al Zijn werken die Hij gedaan heeft, aangezien wij naar Zijn stem niet geluisterd hebben.

15 Nu dan, Heere, onze God, U, Die Uw volk met sterke hand uit het land Egypte geleid hebt en U een Naam gemaakt hebt zoals hij heden ten dage is – wij hebben gezondigd, wij hebben goddeloos gehandeld.

16 Heere, laten toch Uw toorn en Uw grimmigheid zich afwenden van Uw stad Jeruzalem, Uw heilige berg, op grond van al Uw gerechtigheden, want om onze zonden en om de ongerechtigheden van onze vaderen zijn Jeruzalem en Uw volk tot smaad geworden voor allen die ons omringen.

17 Nu dan, onze God, luister naar het gebed van Uw dienaar en naar zijn smeekbeden. Doe, omwille van de Heere, Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is.

18 Neig Uw oor, mijn God, en hoor! Open Uw ogen om onze verwoestingen en de stad te zien waarover Uw Naam is uitgeroepen, want wij werpen onze smeekbeden niet voor U neer op grond van onze gerechtigheden, maar op grond van Uw grote barmhartigheid.

19 Heere, luister. Heere, vergeef. Heere, sla er acht op en doe het, wacht niet langer – omwille van Uzelf, mijn God. Over Uw stad en over Uw volk is immers Uw Naam uitgeroepen.

20 Terwijl ik nog sprak en bad, en belijdenis deed van mijn zonde en van de zonde van mijn volk Israël, en mijn smeekbede uitstortte voor het aangezicht van de HEERE, mijn God, omwille van de heilige berg van mijn God – 21 terwijl ik mijn gebed nog uitsprak, kwam de man Gabriël, die ik in het begin in het visioen gezien had, snel aangevlogen en raakte mij aan, omstreeks de tijd van het avondoffer.

 

Psalm 60 : 1, 2 (kerkenraad zingt)

O God, hoe hebben wij getreurd,

door U verstoten en gescheurd!

Gij zijt op ons vergramd geweest.

Keer weer tot ons; wij zijn bevreesd.

Gij hebt, o HEER, het ganse land

geschud, gespleten door Uw hand.

Het wankelt, het gevoelt Uw slagen.

Ai, red, genees het van zijn plagen.

 

Gij hebt Uw volk een harde zaak

doen zien, door Uw gestrenge wraak.

Door twist op twist het land gekrenkt,

en ons met zwijmelwijn gedrenkt.

Maar nu hebt Gij een heilbanier,

tot roem van Uw geducht bestier,

hen, die U vrezen, op doen steken.

Zo is Uw waarheid ons gebleken.

 

preek over Daniël 9: 19

 

Psalm 103 : 4, 7 (samenzang)

Hij heeft voorheen aan Mozes Zijne wegen,
aan Isrels zaad, tot hun behoud genegen,
Zijn daân getoond, en trouw'lijk hen geleid.
Barmhartig is de HEER en zeer genadig.
Schoon zwaar getergd, lankmoedig en weldadig.
De HEER is groot van goedertierenheid.

 

Geen vader sloeg met groter mededogen
op teder kroost ooit zijn ontfermend' ogen,
dan Isrels HEER op ieder, die Hem vreest.
Hij weet, wat van Zijn maaksel zij te wachten,
hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten,
en dat wij stof, van jongs af, zijn geweest.

 

Dankgebed

 

Psalm 33: 11 (kerkenraad zingt)

Laat ons alom Zijn lof ontvouwen:
in Hem verblijdt zich ons gemoed,
omdat wij op Zijn naam vertrouwen,
dien Naam, zo heilig, groot en goed.
Goedertieren Vader,
milde zegenader,
stel Uw vriend'lijk hart,
op Wiens gunst wij hopen,
eeuwig voor ons open.
Weer steeds alle smart.

 

Zegen

 

Collecten

Collectegeld kunt u overmaken naar de rekeningen:

diaconie: NL58 RABO 0337 1009 77

kerkrentmeesters: NL86 RABO 0337 1008 61

of via de kerkapp

 

*  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *

 

Orde van de eredienst 29 november, 18:30 uur

Voorganger: ds. B.M. van den Bosch, Linschoten

Organist: Wil Versteeg

 

Votum en groet

 

Psalm 93: 1, 4 (kerkenraad zingt)

De HEER regeert; de hoogste Majesteit,
bekleed met sterkt', omgord met heerlijkheid,
bevestigt d' aard', en houdt door Zijne hand
dat schoon gebouw onwankelbaar in stand.

 

Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan;
al wat Gij ooit beloofd hebt, zal bestaan.
De heiligheid is voor Uw huis, o HEER,
eeuw uit, eeuw in, tot sieraad en tot eer.

 

Geloofsbelijdenis

 

Psalm 99: 2, 4 (kerkenraad zingt)

God, die helpt in nood,
is in Sion groot.
Aller volken macht
niets bij Hem geacht.
Buigt u dan in 't stof,
en verheft met lof
't heilig Opperwezen.
Wilt Het eeuwig vrezen.

 

Roemt nu onzen God.
Knielt op Zijn gebod,
voor Zijn voetbank neer.
Heilig is de HEER
op Zijn hogen troon.
Amrams grote zoon
en zijn broeder waren
bij zijn priesterscharen.

 

Gebed

 

Schriftlezing: Openbaring 4

1 Hierna zag ik, en zie, er was een deur geopend in de hemel. En de eerste stem die ik als van een bazuin met mij had horen spreken, zei: Kom hier, omhoog, en Ik zal u laten zien wat hierna moet geschieden.

2 En meteen raakte ik in geestvervoering. En zie, er stond een troon in de hemel, en op de troon zat Iemand.

3 En Hij Die daar zat, zag eruit als de stenen jaspis en sardius. En er was een regenboog rondom de troon, die eruitzag als een smaragd.

4 En rondom de troon stonden vierentwintig tronen. En op de tronen zag ik de vierentwintig ouderlingen zitten, bekleed met witte kleren, en met gouden kronen op hun hoofd.

5 En uit de troon kwamen bliksemstralen, donderslagen en stemmen. En er stonden zeven vurige fakkels te branden vóór de troon. Dit zijn de zeven Geesten van God.

6 En vóór de troon was een glazen zee, als kristal. En in het midden van de troon en om de troon heen waren vier dieren, vol ogen van voren en van achteren.

7 En het eerste dier leek op een leeuw, het tweede dier leek op een kalf, het derde dier had het gezicht als van een mens, en het vierde dier leek op een vliegende arend.

8 En de vier dieren hadden elk voor zich zes vleugels rondom, en vanbinnen waren die vol ogen. Ze hadden geen rust en zeiden dag en nacht: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was, Die is, en Die komt!

9 En telkens wanneer de dieren heerlijkheid, eer en dank brachten aan Hem Die op de troon zat en Die leeft in alle eeuwigheid, 10 wierpen de vierentwintig ouderlingen zich neer voor Hem Die op de troon zat, aanbaden Hem Die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hun kronen neer vóór de troon en zeiden:

11 U bent het waard, Heere, te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de kracht, want U hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil bestaan zij en zijn zij geschapen.

 

Psalm 29: 1, 5 (kerkenraad zingt)

Aardse machten, looft den HEER.
Geeft den HEERE sterkt' en eer.
Dat de lof van 's Hoogsten naam
aller groten roem beschaam'.
Vorsten, 't voegt u, Hem, in 't midden
van Zijn heiligdom, t' aanbidden:
't voegt u, met de Godgetrouwen,
's HEEREN heerlijkheid t' ontvouwen.

 

's HEEREN stem ontbloot het woud.
Maar hij, die op God vertrouwt,
buigt zich veilig, Hem ter eer,
juichend in Zijn tempel neer.
't Is de HEER, Wiens wenk de stromen,
in hun woede kon betomen.
Die, in macht nooit af te meten,
eeuwig is ten troon gezeten.

 

preek over Openbaring 4

Thema: De lofzang gaande houden

 

Psalm 103: 10 (samenzang)

De HEER heeft Zich, als d' allerhoogste Koning,
een troon gevest in Zijne hemelwoning.
Zijn koninkrijk heerst over 't wereldrond.
Looft, looft, den HEER, gij Zijne legermachten,
gij eng'len, die Hem dient met heldenkrachten,
en vaardig past op 't woord van Zijnen mond.

 

Dankgebed

 

Psalm 150: 1 (kerkenraad zingt)

Looft God, looft Zijn naam alom.
Looft Hem in Zijn heiligdom.
Looft des HEEREN grote macht,
in den hemel Zijner kracht.
Looft Hem, om Zijn mogendheden,
looft Hem, naar zo menig blijk
van Zijn heerlijk koninkrijk,
voor Zijn troon en hier beneden.

 

Zegen

 

Collecten

Collectegeld kunt u overmaken naar de rekeningen:

diaconie: NL58 RABO 0337 1009 77

kerkrentmeesters: NL86 RABO 0337 1008 61

of via de kerkapp

 

Deze site is ontwikkeld door Informasi Agung Pratama